Aan het woord is Jan Kuipers

Naam: Jan Kuipers
Functie: Senior adviseur en specialist (hoog)begaafdheid bij Cedin onderwijsadvies in Noord Nederland. Auteur van o.a.  ‘Levelwerk’ en ‘De kracht in jezelf’ en mede auteur van het ‘SiDi R protocol’
Geboortejaar:  
1954

 

Wat doet u in het dagelijks leven?

Mijn werk staat volledig in het teken van (hoog)begaafdheid. Als adviseur help ik scholen beter om te gaan met intelligente en (hoog)begaafde kinderen in PO en VO.
Daarbij zijn er drie invalshoeken: teamscholing, consultgesprekken voeren en materialen/publicaties ontwikkelen voor leerkrachten.

 

Mijn drive is: leerkracht helpen om de aandacht voor intelligente en (hoog)begaafde kinderen zo goed mogelijk te organiseren, qua beleid, qua inhoud en qua pedagogisch/didactisch handelen. Mijn grootste voldoening bestaat uit het feit dat ik een bijdrage kan leveren in de vergroting van de deskundigheid van leerkrachten. Als ik van een school vertrek, denken de meeste leerkrachten anders over (hoog)begaafdheid, dan toen ik binnenkwam. Knoppen omzetten en samen met leerkrachten zoeken naar wat werkt voor deze kinderen is en blijft voor mij het leukste wat er is.

 

Wat heeft u met hoogbegaafdheid?

Alles! De aandacht voor (hoog)begaafdheid is, nadat het op mijn pad is gekomen, niet meer weg gegaan. In ons Nederlandse onderwijs is specifieke aandacht voor de zwakkeren stevig verankerd. Ik vond en vind dat de aandacht voor talentontwikkeling echt een inhaalslag moest maken. Ik heb er iets mee, ik weet niet waar dat vandaan komt, maar het is er.

 

Wat was uw eerste confrontatie met hoogbegaafdheid?

Zo’n twintig jaar geleden werd ik me, door een verhaal van ouders, bewust dat mijn vooringenomen beeld  van (hoog)begaafde kinderen anders was dan de realiteit. Ik was toen directeur van een basisschool en weet nog dat ik tegen mezelf heb gezegd: ‘Hier wil ik dus heel veel van weten’. In dezelfde periode stond in het tijdschrift ‘De Wereld Van het Jonge Kind’ een reeks van vier artikelen over (hoog)begaafdheid van dr. Franz Mönks, directeur van het CBO.  Ik heb toen contact gezocht met het CBO, heb enkele gesprekken met oa. dr. Willy Peters gevoerd en hij heeft me ondersteund in het richting geven met hetgeen ik wilde. In 1993 had ik op mijn school al een plusklas voor de kinderen uit de groepen 5 – 8, wat amateuristisch, maar toch.

 

In 1996 ben ik gestart met de ECHA opleiding en met het afronden van die opleiding ben ik begonnen als adviseur bij de begeleidingsdienst.
De toenmalige directeur van deze dienst wist al van mijn ambitie en hij zei letterlijk tegen mij: ‘Als jij denkt dat je de aandacht voor (hoog)begaafdheid kunt vergroten, probeer het maar’. Dat aanbod heb ik met twee handen opgepakt en binnen vijf jaar had ik er een full time baan aan.
Daarnaast heb ik enkele producten ontwikkeld, waarvan SiDi R (samen met Alja de Bruin – de Boer) en Levelwerk zeer bekend zijn.

 

Wat is volgens u het meest hardnekkige vooroordeel over hoogbegaafdheid?

Veel leerkrachten denken dat ze geen (hoog)begaafde kinderen in hun groep hebben, zeker in de drie noordelijke provincies. In Noord Nederland is veel aandacht voor zwak lerende leerlingen en dat is heel goed. Er wordt daarmee echter een beeld gecreëerd dat (hoog)begaafdheid in deze regio amper voorkomt. Het verwachtingsniveau is daarmee veelal ook niet erg hoog. Dat beeld is hardnekkig, maar klopt niet. Ik vind het een emancipatie van het noorden, wanneer we volledig erkennen dat ook hier veel talentvolle kinderen rondlopen.

 

Een tweede hardnekkig vooroordeel is dat hoogbegaafde kinderen alles heel goed (moeten) kunnen en dat ze altijd gemotiveerd en geïnteresseerd in leren zijn. Demotivatie en verveling komt  juist veel voor. De oorzaak is vaak een mismatch tussen onderwijsbehoefte en onderwijsaanbod en daarmee samenhangend een passende begeleiding door leerkrachten.

 

Wat is volgens u een dilemma binnen hoogbegaafdheid?

Ik denk dat de komst van de Leonardoscholen een groot dilemma is. Laat ik duidelijk zijn, ik ben niet blij met de huidige ontwikkelingen met betrekking tot Leonardoscholen. Veel ouders kiezen voor Leonardo, omdat zij niet tevreden zijn met de kwaliteit van de reguliere school. Ik noem dat een keus uit frustratie, overigens zeer begrijpelijk. Met de komst een flink aantal Leonardoscholen is  een signaal afgegeven, dus dat punt is duidelijk gemaakt.

 

Er zijn echter ook grote bezwaren, ik noem er drie:

  1. Met het vertrek van deze groep uit de ‘eigen’ school haal je de bovenlaag uit je school weg, je kiest voor segregatie. Dat betekent dat het niveau van je school omlaag gaat en dat de kinderen die daar net onder zitten geen mogelijkheid hebben om zich op te trekken aan deze bovenlaag. Zij hebben geen ‘rolmodelleerlingen’ meer. Dat vind ik erg jammer, want het is al lang aangetoond, dat met een passend aanbod voor slimme kinderen in de eigen school een beweging ontstaat waarbij het niveau van de gehele school omhoog gaat.
  2. Met het vertrek van deze topkinderen neem je ook de noodzaak weg dat de school zich op dat terrein nog gaat ontwikkelen, een verschraling van de kennis over talentontwikkeling in het onderwijs is het gevolg. Dat is erg, want daarmee benadeel je de kinderen die niet naar een Leonardoschool willen of kunnen.
  3. Daarmee samenhangend vind ik de wijze van toelating erg discutabel. Leonardo laat kinderen toe met een  IQ  van 130 of hoger en er zijn al berichten dat kinderen die daar onder zitten ook al worden toegelaten. Ik vind die toelatingsgrens echt te laag. In plaats van op lagere scores te gaan zitten, vind ik dat de ondergrens flink omhoog moet. Toelaten vanaf een IQ score van 145 zou beter zijn. Dan heb je het over kinderen die echt anders zijn, de zeer hoogbegaafden. Voor hen is Leonardo een passend alternatief. Het aantal zeer hoogbegaafde kinderen is maar klein, voor Friesland, Groningen en Drenthe kom je op basis van statistische gegevens, uit op ruim 200 kinderen. Feitelijk twee scholen dus.

 

Ik ben daarentegen een warm pleitbezorger van begaafdheidsprofielscholen. Deze scholen ontwikkelen zich tot kwaliteitsscholen, op basis van indicatoren die in opdracht van OCW door het CPS en SLO zijn ontwikkeld. In deze scholen wordt naast een gedegen aanpak in de eigen groep veel met plusgroepen of plusklassen gewerkt. Ik vind die aanpak veel beter, wel uitstapjes maken, maar niet uitstappen. Waar Leonardo kiest voor ‘apart waar het kan en samen waar het moet’, kies ik liever voor ‘samen waar het kan en apart waar het moet’. Ik hoop echt dat wanneer reguliere scholen deze handschoen oppakken, we na verloop van tijd het aantal Leonardoscholen weer zien afnemen.

 

Wat is volgens u het interessantste aan hoogbegaafdheid?

Met deze vraag heb ik niet zoveel. Elk kind is uniek, elke ouder wil het beste voor zijn kind en elk kind is bijzonder en interessant. Ik wil graag van het beeld af dat (hoog)begaafden zo extra bijzonder en interessant zijn, het zijn kinderen met de gave om uitzonderlijke prestaties te kunnen leveren.
Het fenomeen hoogbegaafdheid is niet in één woord te vangen. De variëteit is zo groot dat ‘altijd verrassend’ misschien wel het dichtst in de buurt komt.

 

Wat is volgens u het leukste aan hoogbegaafdheid?

De spitsvondigheid van deze kinderen is natuurlijk heel leuk, maar de omslag van demotivatie naar werkplezier en werklust vind ik echt prachtig. Een mooi voorbeeld:
Peter, een jongentje in groep vijf, vindt school niet leuk, komt niet tot werken, is vaak als laatste klaar. Komt erg slim over in gesprekken en tijdens wereldoriëntatie, weet veel, maar werkhouding is beneden peil. Na een cursus over hoogbegaafdheid besluit de school om Levelwerk aan te schaffen. Peter maakt kennis met dit pakket en krijgt uitleg over de bedoeling. Hij is meteen enthousiast. Hij staat nu ’s ochtends als één van de eersten bij het hek en zegt op de creamiddag tegen zijn juf: “Juf, ik kan nog niet naar de creativiteit, want ik wil eerst mijn Levelwerk afmaken.”

 

Kijk, dat vind ik nou mooi.

 

Wat is volgens u het meest onbekende aan hoogbegaafdheid?

Wat ik in de praktijk veel tegenkom is dat het fenomeen metacognitie, aandacht voor leren leren, nog onvoldoende wordt belicht, terwijl het een aandachtspunt van jewelste is. Veel scholen onderschatten dat. Daarmee komen we tevens op vooroordeel wat veel leerlingen en ouders van onderwijs hebben, namelijk het beeld dat school leuk moet zijn. Dat beeld klopt niet.  Onderwijs is geen pretfabriek, je komt op school om te leren, het moet leuk zijn om te leren, maar niet alle leren moet leuk zijn. Veel (hoog)begaafde leerlingen zijn impuls-leerders, het gaat veel hapsnap en ad hoc en veel leerlingen haken af bij tegenslag en saaiheid. De oorzaak van dat afhaken wordt vaak bij school gelegd met de boodschap ‘het is niet leuk!

 

Het ontwikkelen van zelfsturingsvaardigheden en zelfbeheersing is een aandachtsgebied, wat we zeker mee moeten nemen in ons onderwijs. Ervaring opdoen in disciplinevaardigheden, leren doorzetten, omgaan met falen, kritiek en tegenslagen, het hoort er allemaal bij. Niet altijd leuk, maar wel nodig. Overbescherming is nadelig voor het ontwikkelen van deze zelfsturing.

 

Welk symbool/plaatje zou u geven aan hoogbegaafdheid?

Hm, lastige vraag. Bij hoogbegaafdheid heb ik veel beelden, variërend van leergierigheid tot complete ontmoediging. Ik denk dat een beeld waarbij drive en flow mij het meest raakt. Beelden uit topsport komen daarbij in de buurt. Een uitspraak van Pieter van den Hoogenband spreekt mij erg aan. Ik hoorde hem in een interview ooit eens zeggen: ”Het hebben van talent is geen eindproduct, het is enkel maar een voorwaarde. De weg naar succes begint dan pas: inzet, trainen, strijd leveren, tegenslagen overwinnen. Drive en wilskracht zijn daarbij onontbeerlijk”.

 

Het is aan ouders en leerkrachten om deze drive en wilskracht te stimuleren en te begeleiden.

 

Wat zou u op korte termijn willen doen (ongeacht haalbaarheid) voor hoogbegaafden?

Laat ik het reëel houden: in ons land wordt in toenemende mate gesproken over het stimuleren van toptalent. Nederland loopt achter wat betreft kenniseconomie in vergelijking met andere westerse landen. Ik vind het een kwaliteit van voormalig staatsecretaris Sharon Dijksma, dat zij subsidie heeft vrijgemaakt voor talentontwikkeling. Aandacht voor toptalent houdt niet op bij mooie woorden, er moet geoormerkt geld bij, boter bij de vis. Daarnaast hoop ik dat we in Nederland zo langzamerhand van het beeld van het grijze midden en het maaiveld af komen. Talent moeten worden gekoesterd en gestimuleerd. Dat betekent dat we in ons onderwijs de bakens moeten verzetten. Laten we iets minder de nadruk leggen op ‘gezellig’ en iets meer op het leveren van hoge prestaties. Dat betekent dat leerkrachten de ambitie moeten hebben kinderen te leren het beste uit zichzelf te halen en dat is meer dan het uit hebben van de methode aan het eind van het schooljaar.

 

Wat is uw droom/wens voor hoogbegaafden?

Twee dingen: dat het in Nederland vanzelfsprekend is dat (hoog)begaafdheid wordt gezien als een gave, waar we iets mee moeten.  Dat talent zichtbaar mag zijn. Tegelijkertijd: (hoog)begaafd zijn betekent niet dat je naast je schoenen moet lopen.  Je ziet, ik houd als nuchtere Fries de beide benen gezond op de grond.

 

Welk boek of welke film over hoogbegaafdheid kunt u ons aanbevelen?

Het Handboek Hoofdbegaafdheid (Uitgeverij Van Gorcum – Assen) wat in 2009  is verschenen is naar mijn idee op dit moment het meest complete boek over (hoog)begaafdheid in Nederland. Er wordt op een gedegen wijze aandacht besteed aan de vele aspecten die hier mee te maken hebben. Een echte aanrader voor professionals en geïnteresseerde ouders

 

Heeft u voor ons een case / voorbeeld mbt hoogbegaafdheid dat u met ons wilt delen?

Sonja, een erg slim meisje, heeft het op kleuterleeftijd al over planeten, sterren en leest op vijfjarige ‘Sjakie en de chocoladefabriek’ voor. In groep 1 en 2 treft ze een juf die haar begrijpt en die haar slimme werkjes aanbiedt. De juf van groep 3 heeft gehoord dat Sonja meer werk aan kan en de leerkracht stelt vast dat Sonja in de ‘zonlijn’ komt van aanvankelijk lezen.


De juf denkt dat dit het hoogst haalbare aanbod voor een groep 3 leerling is en begint vol goede moed. Sonja doet dapper mee met dit aanvankelijk proces, hoewel ze al lang kan lezen. Ze doet goed haar best en laat zien dat ze het aanvankelijk lezen goed beheerst. Zij past zich volledig aan. Volgens juf gaat ze met plezier naar school, maar thuis leest Sonja niet meer. Ze raakt haar zelfvertrouwen kwijt  en krijgt een hekel aan de overbodige lesjes.
Wat we hier zien, is een leerling die zich aanpast aan de verwachtingen van school en ogenschijnlijk goed mee doet. Er lijken op school geen problemen te zijn, maar thuis  wordt het een stil en teruggetrokken kind. Het is deze schijn die zo bedrieglijk is. Een tip voor leerkrachten: luister goed naar ouders, ga door op het spoor wat in een vorige groep is ingezet en ga er niet klakkeloos vanuit dat elke leerling het achterste van zijn tong laat zien.

Boekrecensie

Te slim voor de brugklas. Wat denk je zelf?

"Te slim voor de brugklas. Wat denk je zelf?"

Janneke van Oorschot.

Verhalen van zeven slimme, heel verschillende brugklassers en hun mentor.

Aan het woord is...

Richelle de Deugd

Richelle de Deugd 

eigenaar Hobega

"Hoogbegaafden kunnen zich heel erg ‘niet begrepen’ en ‘niet gezien’ voelen (zoals ze werkelijk zijn) door mensen in hun dagelijkse omgeving."

Casus

Zoon van Martin

‘Toen ik voor het eerst bij jou kwam was het alsof ik van binnen een BMW motor had maar omdat ik niet op wilde vallen, verstopte ik mezelf in een Lada carrosserie.'