Van brugpieper naar Eigenheimer

Zijn voeten missen af en toe het pedaal of glijden eraf door de druilerige drupregen. Het frame is nog iets te groot, gekocht op groei. Het opspattende fietspad lijkt al te smal met zijn wiebelende weg, maar desondanks rijdt hij soms gedrieën naast elkaar in die bekende stijl. Dapper trappend met een zwabberendzware schooltas achterop. Soms staand op de trappers, dan weer vermoeid vooroverleunend op het stuur. Hij kijkt druk pratend naar links en mist de stoeprand rechts op een haar na. En krijgt een natte voet van de grote plas. Het is hetzelfde gevoel toen ik mijn neefje voor het eerst zag fietsen zonder zijwieltjes. Het verkeer kent ieder jaar na de zomer weer nieuwe helden.

Ingeblikt kijk ik de stroom puberale pedaalridders na. Veilig achter de ruitenvegers kan ik ’t beste maar terugdenken, in de hoop nog iets terug te vinden van hoe het was. Om te weten wat er omgaat in die hoofdjes. Zodat ik op hun grillige bandensporen ongelukken kan voorkomen.

De boeken waren strak gekaft. Mijn woordenboeken ingeladen, want die zouden mij zeker gaan helpen – al was ’t maar om de nieuwe leraar te laten zien dat ik erg ijverig ben en overal op voorbereid. Klaar voor mijn eerste dag! En even later sta ik nadruipend voor een soort overlangs geknipt flatgebouw, waarvan de massieve helften dreigend en breeduit naast elkaar hoeken en me heel klein maken. In de gang grijnst het grauwe granol me na. Meegevoerd door de stroom scholieren stapschuifel ik over brede trappen, zoekend met die nieuwe code “Biologie - 2.13”. En als ik even later de klas binnenloop, maak ik mijn eerste fout: ik ga zoals vanouds vooraan bij de leraarstafel zitten, terwijl er nog genoeg andere plaatsen achteraan vrij zijn.

In de pauze kijk ik ze vreemd aan. Ze wijzen joelend op mijn luier die vol zit, maar waarom begrijpen ze niet dat het regenpak heeft gelekt ? En wat bereik je ermee iemand daarom uit te lachen? Waarom heb je dat nodig? Waarom komen er steeds meer die mee gaan doen? Gewoon uitleggen helpt niet. Een normaal gesprek is niet mogelijk. Ik snap dit gewoon niet. ’t Duurt te lang, het gelach groeit. Opeens zie ik mezelf naar de aanstichter lopen en vraag met een baby-stemmetje of papa mijn luier wil verschonen. Waarop deze kwaad wegloopt en ik kan meelachen.

Een 3!? Het is alsof iemand in mijn buik stompt. Ik probeer nog met een nauwbenepen strottekop “Een 8?” te piepen, waarop de biologiedocente me strak aan kijkt en haar lange bruine haren schudt. Vernederd nader ik haar tafel om de repetitie op te halen. Ik kan mijn verdriet nog binnenhouden, tot ik weer terugzit in mijn stoel. Mistig kijk ik naar de rode drie en de vele rode kruizen op het blauwbeïnkte blad. Nooit eerder heb ik een onvoldoende gekregen.

Met onbegrip kijkt hij me aan. En verwijt me weer dat ik ’t boek op schoot moet hebben gehad en daarom een 1 kreeg voor deze repetitie. Mijn uitleg dat ik het antwoord op de vraag in mijn hoofd voor me zag, op bladzijde 89 in de derde alinea, linksonder het plaatje in de tweede regel, wordt ongeloofwaardig weggewoven. Okay, ik kon ’t niet helemaal voor de geest halen, dus had ik dat ook opgeschreven: “Blz 89, derde alinea, tweede regel.” Maar ik had gewoon gespiekt. Zelfs het argument dat ik ‘t toch zeker niet zou opschrijven als ik wel het boek op schoot zou hebben gehad, omdat dat juist argwaan zou wekken, bleef op onbegrip stuiten.

Waarom ga ik nog naar school? Waarom is ‘t nou zo nodig om dit te moeten kennen? Al die rijtjes stampen, blinde teksten leren, de saaie les volgen met onbegrijpelijke feiten die nu eenmaal zo zijn. De pauze vind ik het leukste van de hele schooldag, of gym. Alleen tijdens muziekles wordt naar mijn mening en argumenten daarvoor gevraagd.

Met de hakken over de sloot haal ik Havo. Ik ben 16 en weet niet wat ik wil of kan. School is de veiligste en bekendste weg en eigenwijs als ik ben, dwing ik mijn ouders en het schoolbestuur mij naar het Atheneum te laten gaan. Daar kom ik na een paar dagen erachter ’t domste jongetje van de klas te zijn en dat laat ik niet op me zitten! Dankzij Mechteld, het eerste meisje waar ik naast durfde te gaan zitten, begrijp ik steeds meer en krijg opeens inzicht. Ik sta boven de materie en kan ermee spelen. Met als gevolg dat ik bij Wiskunde niet vaak welkom ben. En met dikke voldoendes het diploma haal.

Nog later zal ik mijn HBO-diploma ophalen met de opmerking dat het leek alsof ik de opleiding er naast deed. Want ik had zoveel hobbies en bijbaantjes.

En nu zit ik in de bus. En wil als buschauffeur voorkomen dat ik te laat rem als hij plotseling omvalt, uitglijdt of de stoeprand raakt. Er zal zich zoveel afspelen in zijn hoofd, dat hij het verkeer en het gevaar minder ziet. Hier op de weg kan ik ‘m helpen, al weet hij ‘t niet. Maar graag zou ik hem leren dat school niet alles is.

 


Door Douwe Wiersma. Douwe Wiersma is freelance tekstschrijver/journalist, creatieve vormgever/designer, communicatieadviseur en werkt daarnaast geregeld als buschauffeur. Zie ook zijn interview.

Boekrecensie

Te slim voor de brugklas. Wat denk je zelf?

"Te slim voor de brugklas. Wat denk je zelf?"

Janneke van Oorschot.

Verhalen van zeven slimme, heel verschillende brugklassers en hun mentor.

Aan het woord is...

Richelle de Deugd

Richelle de Deugd 

eigenaar Hobega

"Hoogbegaafden kunnen zich heel erg ‘niet begrepen’ en ‘niet gezien’ voelen (zoals ze werkelijk zijn) door mensen in hun dagelijkse omgeving."

Casus

Zoon van Martin

‘Toen ik voor het eerst bij jou kwam was het alsof ik van binnen een BMW motor had maar omdat ik niet op wilde vallen, verstopte ik mezelf in een Lada carrosserie.'